auto header gratistheorie.nl

Verkeersregels - Parkeren.

Artikel 24

1.   De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:

a.   bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan;

b.   voor een inrit of een uitrit;

c.   buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg;

d.   op een parkeergelegenheid:

1°.  voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen;

2°.  op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven;

3°.  op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden;

e.   langs een gele onderbroken streep;

f.   op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen;

g.   op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.

 

2.   Indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1, op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slechts gedurende de aangegeven dagen of uren.

3.   De bestuurder mag zijn voertuig niet dubbel parkeren.

4.   Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E 4 tot en met E 13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd.

Artikel 25

1.   Het is verboden in een parkeerschijf-zone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep.

2.   Op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep is het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts toegestaan indien het motorvoertuig overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst.

3.   Op de parkeerschijf staat het tijdstip aangegeven waarop met parkeren is begonnen. Een parkeerschijf voorzien van een mechanisme dat tijdens het parkeren het tijdstip van aankomst automatisch verschuift, mag niet worden gebruikt.

4.   Bij het instellen mag het tijdstip van aankomst naar boven worden afgerond op het eerstvolgende hele of halve uur. De toegestane parkeerduur mag niet zijn verstreken.

5.   Indien op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden het tweede tot en met het vierde lid slechts gedurende die dagen of uren.

Artikel 26

1.   Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:

a.   een gehandicaptenvoertuig, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van een gehandicapte;

b.   een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt; of

c.   indien de gehandicaptenparkeerplaats is gereserveerd voor een bepaald voertuig, dat voertuig.

 

2.   Indien op een onderbord een maximale parkeerduur is vermeld, is artikel 25, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de parkeerplaats niet hoeft te zijn voorzien van een blauwe streep.

Het RVV Plaatsen (brom)fietsen
Het RVV Plaatsen (brom)fietsen