|
Bij mist: HALVEER JE SNELHEID, VERDUBBEL JE AFSTAND.
Dit klinkt
logisch maar is het niet helemaal. Mist kan even plotseling
verdwijnen als dat het komt opzetten. Als je in een mistbank terecht
komt ga dan niet als een gek remmen, maar neem geleidelijk snelheid
terug en neem meer afstand van je voorganger. Rij je bij dichte mist
of bij constant opduikende mist in de bergen of op een andere
gevaarlijke plaats, stop dan met rijden. Doordat je niets ziet door
de mist kun je zomaar een ravijn inrijden.
|
Wordt er sneeuw
of ijzel voorspelt laat dan je motorfiets maar staan. Onder deze
omstandigheden bestaat op zijn minst het gevaar voor vallen. Gaat
het onderweg sneeuwen, stop dan en parkeer je motorfiets op een
veilige plaats. Ga je toch rijden op een besneeuwd wegdek vraag je
om problemen.
Is er voldoende
gestrooid op de wegen kun je in principe weer gaan rijden. Bedenk
wel dat het strooizout alle onderdelen van je motorfiets aantast. Na
iedere rit moet je de remmen afspoelen met schoon water.
Sneeuw zie je
tenminste nog liggen. Veel verraderlijker is ijzel. Het lijkt er op
dat het licht regent, of geregend heeft, maar de wegen worden
spiegelglad. Rijden met de motorfiets is onmogelijk en zelfs lopen
wordt al een gevaarlijke bezigheid.
|
 |
Houd bij regen meer afstand van je voorganger dan normaal en rijd
langzamer.
Door de regen
zie je de witte strepen op het wegdek veel slechter en als het
donker is terwijl het regent zie je de witte strepen bijna helemaal
niet meer. Je rijdt dan meer op de gok dan dat je echt wat ziet, pas
je snelheid dus aan.
Putdeksels en
strepen op het wegdek moet je normaal al proberen te ontwijken, als
het geregend heeft moet je daar helemaal wegblijven.
Op
zich verschilt het rijden in de winter niet veel van het rijden in
de zomer, behalve als er speciale weerseffecten in het spel zijn.
Regen in de winter is kouder dan in de zomer, vooral als regen in
ijzel verandert. IJzel is wel het meest geniepige glijmiddel dat
bestaat. Zo is het water en zo is het ijs; vooral op bruggen,
viaducten, stukken weg in de schaduw en verder overal waar je het
niet verwacht. Vooral ook omdat het er gewoon als water uitziet. Er
zijn caféverhalen dat je op ijzel gewoon onbevangen hard door moet
blijven rijden. Maar wie hard rijdt, zal hard vallen. Dus daarom
langzaam aan; niet of heel voorzichtig remmen (eerst zachtjes met de
achterrem); niet sturen; geen voeten aan de grond; niet verkrampen;
zoveel mogelijk rechtop blijven zitten; rustig gasgeven en
-minderen; in de hoogst mogelijke versnelling rijden. Diegenen, die
kunnen luisteren, horen soms de overgang van water in ijzel. Water
maakt een sissend geluid onder de banden. Bij ijzel wordt het akelig
stil.
Verse
sneeuw is mooi en geeft weinig problemen. Blijf in het midden in de
verse sneeuw rijden. Platgereden sneeuw is veel gladder en verandert
onder de banden in ijs. Sneeuw wordt nog vervelender als er bevroren
richels ontstaan.
Mist
betekent langzaam aan. Hoe minder je ziet, des te langzamer aan.
Omdat niet alle weggebruikers zo reageren, is het aan te bevelen
zoveel mogelijk verlichte wegen te volgen. Bij mist mag de bril
afgezet of het vizier omhoog geklapt worden. Oriënteren op de
achterlichten van je voorganger kan een stuk schelen, maar blijf
zelf wel op de wegmarkeringstrepen letten, want ontelbaar zijn de
grappen over het tot in een garage volgen van je voorganger of
elkaar tegenkomen op de wegas (het midden van de rijbaan).
De
enig goede verlichting in de mist is gewoon dimlicht. Groot licht
verblindt jezelf, omdat het licht in de mist terugkaatst. Het is
jammer, dat de meeste motoren geen mistachterlicht hebben. Dat zou
wel zo veilig zijn. Sommigen sluiten daarom het remlicht kort. Het
is verboden, maar in noodgevallen in heel dichte mist wel bruikbaar.
Inhalen
in de mist is vrijwel uit den boze. Vlak achter de voorganger lijkt
het wat minder mistig, maar na het inhalen rij je werkelijk tegen
een muur van mist aan.
Ondanks
alle voorzorgsmaatregelen is het toch mogelijk, dat niets en niemand
de motor meer tegenhoudt. De motor slipt. Een achterwielslip is nog
wel op te vangen met tegenstuur, maar een voorwielslip is vaak
onherroepelijk. Soms lukt het om de motor met één been nog rechtop
te trappen, maar vallen is meestal onvermijdelijk. Probeer dan
"glijdend" te vallen, dus niet buitelen. Houd met de benen
de motorfiets van je af en bescherm je hoofd met je armen. Heel vaak
loopt het redelijk goed af. De motor is er meestal slechter aan toe.
Zeker in de winter is het monteren van een valbeugel het overwegen
waard. En wie nog verder wil gaan en daarvoor ook de motor heeft:
een zijspan.
Er zijn omstandigheden, waarin je jezelf moet afvragen of het wel
verantwoord is om met de motor op pad te gaan. Tenslotte is niet
iedereen acrobaat en zeker niet levensmoe.
|